God werkt in het onverwachte

6 augustus 2017 Overdenking: 1Sam 17:12-51

Overdenking luisteren

Gemeente van Jezus Christus,

Hoe open staat u voor het onverwachte? Vrees niet, ik ben niets van plan vandaag. Er gaat, wat mij betreft, niets raars gebeuren. Maar staat u open voor dat wat u niet verwacht? Staat u open voor het ongewone? Of houdt u liever van overzicht, van dat wat u kent en wat u bekend is? Vind u het wel zo prettig dat u weet dat u straks na deze dienst weet dat er koffie staat, een koekje erbij en dat u straks naar huis gaat voor de middagboterham? Of iets extremer, dat u weet hoe komend jaar eruit gaat zien en dat u nu al weet waar en wanneer u volgend jaar op vakantie gaat. En geeft deze zekerheid u houvast om overzicht te houden in het leven? Of hebt u geen flauw idee wat staat te gebeuren, omdat er niets gepland staat en u leeft bij de dag?

Als je de Bijbel doorleest, dan kom je veel geschiedenissen tegen die uitgaan van het onverwachte. Ik zal u een paar noemen: Abraham kreeg een opdracht van God (Gen.12:1): “Trek weg uit je land, verlaat je familie (…) en ga naar het land dat ik je zal wijzen.” Lekkere opdracht, zet je Tomtom daar maar op. Abraham gaat dus ergens heen alleen weet hij niet waarheen.

Mozes staat met heel het Israëlitisch volk bij de Rode Zee. Het Egyptisch leger is in aantocht. Het volk kan nergens heen. En hoe worden ze gered? God vormt een pad door de Rode Zee heen. Dat is toch onverwacht te noemen?  Ik bedoel, als ik straks van vakantie terugkom en zeg: “wat me nu bij het Tjeukemeer is overkomen…”Gelooft niemand mij.

En zo ook Jozef die in een put wordt gegooit, en die het via slavernij en een gevangenis tot onderkoning maakt. Dat is toch een raar CV? Noach bouwt een boot ergens in the middle of Nowhere, Maria wordt als maagd zwanger. God zelf die als verliezer aan het kruis hangt. Het zijn allemaal geschiedenissen met een onverwachte wendingen.

En zo ook het verhaal van David. Zijn verhaal begint al in 1 Samuel 16. Hij is de jongste zoon van Isaï.  We treffen hem aan in het veld bij de kudde van zijn vader. Al zijn broers zijn thuis, hij is de enige die in het veld zit. Zijn vader en zijn broers zijn uitgenodigd bij een offerfeest. Want de Rechter Samuel is in Bethlehem gekomen om een offer te brengen. Alleen hij, David, was daarbij niet aanwezig. Hij moest op de kudde letten. De kudde bijeen houden en zorgen dat er geen wilde dieren bij de kudde konden komen. En als dat wel gebeurde had hij de opdracht de kudde te beschermen. Met een stok en een slinger. En dat ging hem goed af.

Uiteindelijk, zo weten we, wordt David toch uit het veld gehaald en is hij juist degene die gezalfd wordt tot opvolger van koning Saul. Toch wel onverwacht. Hij is de jongste van Isaï’s zonen en slechts een herder. En juist hij wordt gezalfd tot koning over Israël.

Zelfs na de zalving gaat het leven van David in eerste instantie nog op oude voet door. Nou ja, zijn muzikale talent wordt gezien en erkend. Hij mag aan het hof van Saul komen spelen. Als Saul gekweld wordt door de boze geesten, dan kan David hem met zijn muziek verlichting brengen. David wordt zelfs zijn wapendrager. Toch telt David niet geheel mee. Wanneer er een oorlog met de Filistijnen komt, zo lezen we in 1 Sam 17:1. sluiten de drie oudste broers van David zich aan bij het leger (vs13). David, hoewel hij wapendrager was van Saul, bleef thuis. Hij kreeg weer de zorg voor zijn vaders kudde.

Maar op een dag mag David zijn broers gaan opzoeken. Hij krijgt de opdracht van zijn vader om een levensteken van hen mee te nemen. Daarnaast kan hij hen eten geven. Eenmaal aangekomen bij het leger, blijkt dat het is uitgerukt. Het leger staat in slagorde gereed tegenover het leger van de Filistijnen. David laat het voedsel dat hij heeft achter bij een bewaarder (foerier=iemand die de zorg draagt voor de voorraden van het leger) en gaat door naar het front.

Hij zoekt zijn broers op en vraagt naar hun welzijn. Op datzelfde moment komt Goliath naar voren. U moet zich voorstellen: twee legers staan op de hellingen tegenover elkaar, het dal in het midden, waar een beek doorheen stroomt, is leeg. Maar daar middenin staat een reus van een kerel, 3 meter groot, kolossale werpspies in zijn hand en een goed harnas aan. Deze reus heeft een luide stem en roept naar de Israëlieten. De reus daagt de Israëlieten uit: “Kom maar op! Toe maar! Ik heb er maar 1 van jullie nodig om te vechten en die wint heeft het andere volk tot slaaf.” De Reus spot met de Israëlieten en met hun God.

Goliaths roep heeft effect op de Israëlieten. Ze vluchten weg. En David ziet dat. Hij hoort wat de beloning zal zijn voor degene die deze reus zal verslaan. En het lijkt alsof hij zijn oren niet kan geloven, want hij vraagt nogmaals aan anderen naar die beloning

Bij David is er iets wakker geschud. Het lijkt alsof zijn gedachten over zijn toekomst als koning, Gods belofte, hem nu even helder voor de geest staan. Zijn ervaring als herder, het scherpe inzicht dat hij daar heeft verkregen in het inschatten van gevaar van de vijand, kan hij nu toepassen in een geheel andere situatie. Die reus die daar staat is niet anders dan een grote beer of leeuw. Hij brult hard, en hij lijkt oppermachtig, maar niets is onmogelijk. David denkt out of the box. Hij kijkt verder dan de reus, die Goliath is. Daarnaast weet David dat hij ook in deze strijd kan vertrouwen op de steun die God hem geeft. Hij voelt dat aan, of merkt dat. Ergens heeft hij die zekerheid gevonden van Gods bescherming. Daarom durft hij ook het risico te nemen om de strijd met deze reus aan te gaan.

Davids oudste broer Eliab ziet zijn broertje rondvragen en heeft zoiets van: “waar bemoeit hij zich mee?” Zoals hij zegt in vers 28: Wat doe je hier eigenlijk? Hoor jij niet in de woestijn op je schapen te passen? Andere vertalingen maken deze terechtwijzing nog botter, door te zeggen: een paar schapen. Kortom dat kleine kuddetje van je. Schaapherder van niets. Eliab kleineert zijn broertje en wijst hem terug naar zijn onbeduidende plaats.

Maar David negeert deze terechtwijzing van zijn broer, zo lezen we in vers 30, en hij vraagt blijft doorvragen. Misschien had hij de hoop om op deze manier meer in de buurt te komen van de mensen die het voor het zeggen hebben te kunnen. En dat lukt hem ook. David weet zich op de voorgrond te spelen. Hij komt voor Saul te staan en daar houdt hij zijn verhaal. Saul is wat minder bot, maar moet wel rekening houden met zijn grote verantwoordelijkheid. Als Israël dit tweegevecht verliest, dan zullen ze slaven zijn van de Filistijnen.

Saul vertrouwt meer op dat wat hij ziet. Feiten stellen hem tot de conclusie dat David de strijd met Goliath wel moet verliezen. De reus is heel groot, David is klein. De reus heeft veel vechtervaring, David geen. David moet die strijd wel verliezen. Saul zoekt dus een uitweg en zegt dat David te jong is.

Maar David houdt vol. Hij weet Saul te overtuigen en krijgt toestemming om met Goliath te gaan strijden. Hiervoor geeft Saul hem zijn uitrusting. Want, zo zou Saul gedacht kunnen hebben, de strijd ga je aan als strijder. Dus met een uitrusting aan en het zwaard in je hand. Want zo hoort het. Saul denkt vanuit zijn eigen ervaring en daardoor binnen zijn eigen kaders.

David probeert Sauls suggestie, hij trekt de uitrusting aan en merkt dat hij er niets mee kan. Hij zegt dat tegen Saul, trekt de uitrusting weer uit  en pakt zijn eigen spullen: een slinger, een staf, de herderstas en 5 stenen. En zo op zijn eigen manier loopt David op Goliath af.

Goliath is de laatste die in dit verhaal overtuigd moet worden van Davids kunnen. Want Goliath ziet David aankomen en bespot hem. “Ben ik soms een hond, dat je met een stok op me afkomt?” zo spot hij in vers 43. “kom maar op, kom maar, kom maar”  zo lijkt  hij David uit te dagen. Goliath ziet David niet als tegenstander. Ook Goliath keek vanuit zijn eigen ervaring en hij rekende niet op het onverwachte. Goliath lijkt David eerder als prooi te zien. En die slachtte hij gewoon af

Nog steeds is David overtuigt van zijn kunnen. God en ik zullen jou doden, zo zegt hij. Zijn talent als herder komt in deze actie tot volle glorie. Zijn ervaringen met de wilde dieren, zijn gevoel voor timing, richting en kracht waren voor dit moment bedoeld. Zijn goede band met God ondersteunde hem en gaf David zijn zekerheid in dit gevecht.

Die herder David die achtergelaten werd in het veld, geminacht werd door zijn broers, onderschat werd door zowel Saul als Goliath, verslaat hier de reus. Het onverwachte gebeurde. God bracht een onbeduidende herder met eenvoudige techniek het strijdperk binnen om een reus met vechtersmentaliteit te doden. En hier waren drie dingen voor nodig, God, Davids vertrouwen in God en Davids ervaring al herder.

God werkt vanuit het onverwachte. Hij maakt gebruik van mensen waarvan het lijkt dat ze er niet toe doen. En Hij gebruikt de dagelijkse ervaringen van de mensen in Zijn werken. Daarnaast blijkt het ook dat jezelf uit moet gaan van het onverwachte als je door God wilt worden ingezet.

En dat maakt het nu lastig. Omgang met het onverwachte vinden we allemaal moeilijk. Het is veel overzichtelijker om vast te houden aan het bestaande, aan de logische gevolgen, aan dat wat we kunnen voorspellen. Maar als God werkt binnen het onverwachte dan sluiten we, door alles voorspelbaar te maken, een weg van God af.

Het onverwachte. Kunt u, kan ik, kunnen wij in ons dagelijks leven omgaan met het onverwachte?  Om daar een antwoord op te geven zoude we onszelf de vraag kunnen stellen in hoeverre wijzelf een Isaï, Eliab, Saul of Goliath zijn. Hoe kijken wij naar andere mensen? Geven wij de mensen om ons heen de ruimte om zichzelf te ontwikkelen op een manier die bij hun past?

En in hoeverre accepteren wij dat er binnen onze kerk en binnen de christelijke wereld  christenen zijn die een minder gangbare visie op het christendom hebben? Of schrijven we die mensen gelijk af, omdat het niet onze manier is en dus niet christelijk? Dus in hoeverre lijken wijzelf op Isaï, Eliab, Saul of Goliath?

Maar we kunnen ook omgekeerd kijken? In hoeverre uiten wijzelf op onze eigen manier binnen de gemeente? Vinden wij onszelf wel iemand  met eigenschappen die inzetbaar zijn voor het koninkrijk Gods? Of schrijven wij onszelf al af? En in hoeverre willen we ons inzetten om deze eigenschappen te verbeteren?

Ter illustratie, toen wij ons huis kochten in 2013 konden we wel wat opknappen, maar dat bleef bij verven en behangen. 4 jaar later, nog geen maand geleden, heb ik bij twee muren al het oude stukwerk er af gebikt, omdat het te oud en te brokkelig was. Ik durfde dat, omdat ik in deze jaren dat we in ons huis wonen mijn bouwvaktechnieken heb leren verbeteren. Ik wist dat ik deze slechte muur weer kon stuken en dat dat werk beter was, dan de huidige staat van die muur. Ik ben hierdoor geen bouwvakker, maar ik ben zekerder geworden in mijn kluswerk0. Ik heb geen flauw idee wat God met deze nieuwe kunde van mij kan. Maar wat ik wel weet is dat ik mijn eigenschap op dit vlak wel verbeterd heb. David verbeterde zijn slingertechniek niet om daar ooit een reus mee te verslaan. Hij verbeterde het, om de kudde van zijn vader beter te beschermen. En zo kunnen wij onze eigenschappen toe passen in ons dagelijks leven zodat we ze beter leren kennen en er zekerder van worden.

Iedereen heeft eigenschappen waar God een beroep op kan doen. Maar we weten niet welke eigenschappen dat kunnen zijn. maar het zijn wel eigenschappen die dicht bij jou als persoon liggen. Die jou maken toe wie jij bent. Saul was nooit onbeschermd en met een slinger op Goliath afgegaan. Dat was niet zijn manier. Het was Davids manier om zo naar Goliath te gaan. We hoeven dus ook niet op zoek te gaan naar speciale eigenschappen om die ooit in Gods koninkrijk hopen in te kunnen zetten. God gaat uit van de persoon die jij al bent. En zo gaat God ook uit van de eigenschappen die jij al hebt. God wil mij u, ons gebruiken met de eigenschappen die wij hebben.  Het zijn eigenschappen die we al in bezit hebben en waar we mee om kunnen gaan.

Het onverwachte. God werkt vanuit het onverwachte, David begreep dat en vertrouwde daarop. Het was voor hem reden genoeg om door te gaan, ook nadat zijn broer Eliab hem terecht wees. Om zo onverwacht een reus te verslaan.

Door in ons dagelijks leven te werken aan onze eigenschappen worden we zekerder van ons kunnen. En door open te staan voor de mensen om ons heen met andere eigenschappen en andere gedachten leren we om te gaan met het onverwachte. En kunnen we ruimte geven voor onvoorspelbare momenten. Dan heeft God de ruimte om ons binnen Zijn Werk in te kunnen zetten.

Amen

Advertenties