Mens, wat ben jij mooi.

Jul-14 2013: Overdenking Matt 25:31-46, Beluister de dienst

Gemeente van Jezus Christus,

Afgelopen week sprak ik met Gio. Gio is één van de straatjongeren in de Arnhemse wijk Schuytgraaf. In die wijk ben ik 1x per week aan het voetballen, en sinds kort ook aan het skaten, met jongeren vanaf ongeveer 13 jaar. Gio is één van hen, hij behoort tot de oudsten. Hij is 19. Gio is een eenling tussen de jongeren, maar kan wel met iedereen door de deur. Hij weet eenvoudig contact te maken met de anderen, en trekt zich niet zoveel aan van wat anderen over hem zeggen. Gio wordt gewaardeerd om zijn voetbalkunsten. Hij is een goede speler, hij is erg handig met de bal.

Gio´s tweede passie is muziek. Hij kan zingen als de beste, hij rapt zonder probleem een lied in elkaar. Soms begeleidt hij zichzelf met de gitaar, die hij dan ook meeneemt naar het schoolplein, waar wij dan aan het voetballen zijn. Zijn tweede passie is muziek, zei ik. Want de muziek gebruikt hij om zijn eerste passie vorm te geven. Zijn eerste passie is Jezus. Praat met hem en het gaat binnen drie minuten over Jezus. Hij houdt onvoorwaardelijk van Hem, hij spreekt vol vuur over Hem. Niets kan zonder Jezus, in het leven van Gio.

Afgelopen maandag had ik even een gesprek met hem. We spraken over Jezus, over evangeliseren, over het zout zijn van de aarde. Gio vergeleek zijn relatie met Jezus met de relatie tussen man en vrouw. Hij zei: “Als je van een meisje houdt, (hij is 19) dan wil je steeds meer van haar weten. Je doet alles voor haar, omdat je van haar houdt. Je laat je niet meer afleiden door andere zaken, zij staat bovenaan in je leven. Je ouders zeggen dat je loopt te dromen, en dat doe je ook, want je houdt van haar. “En”, zo zegt Gio, “dat geldt ook als je kiest voor Jezus.” 

Ik kan Gio daarin goed volgen. Ik hou van Wieke, zij houdt van mij. Natuurlijk zeg ik dat tegen haar, en praten wij veel met elkaar, om te weten wat elkaar zo bezig houdt. Maar ik plak ook de band van haar fiets, zorg voor wat drinken, als ze doodmoe van haar werk thuiskomt, of, zoals afgelopen week, bereid haar een maaltijd die ze mee kon nemen op haar dagje uit. En zij doet dat ook voor mij. Zij heeft nog steeds vertrouwen dat ik mijn opleiding afmaak, hoewel ik die hoop de afgelopen jaren regelmatig heb opgegeven.

Net als je in de liefde kiest voor je meisje, of jongen is kiezen voor Jezus is iets waar je voor gaat. Je gaat er helemaal voor of niet. Het is ja, of nee, zwart of wit. Kiezen voor Jezus is stellig, is zeker. Er bestaat geen grijstoon, zo van “ik hoor een beetje bij Jezus”. Als je kiest voor Jezus, dan hoor je bij hem. Dan luister je naar hem, je stelt je vragen aan hem, je handelt naar zijn antwoorden. Zo deden de discipelen dat, toen Jezus hen riep. Ze lieten hun netten, hun familie achter en volgden hem. Hun werk, hun inkomen, hun familie, het deed er niets meer toe, zo lijkt het.

Het maken van de keuze voor Jezus en de effecten die die kunnen hebben voor jouw leven komt duidelijk naar voren in het schriftgedeelte van vandaag. Het stuk dat we gelezen hebben is de afsluiting van een betoog van Jezus, dat begint in Matt.24. De discipelen vragen naar wat er komen gaat. Jezus gaat er even voor zitten en vertelt het, op zijn manier. Hij vertelt over de einden der tijden, de vervolgingen en verschrikkingen die nog mogen komen. Dat is echt wel balen voor de discipelen, die dachten dat met de messias de letterlijke bevrijding ook kwam. Dat ze de Romeinen samen met Jezus wel aankonden. Dat die Romeinen uit het land werden gezet en dat dan het Joodse rijk, zoals in Davids tijd, weer terug zou komen. Maar niet dus. Er komt eerder nog ellende bij.

Maar Jezus geeft ook hoop. Hij spreekt ook over redding. Zoals Noach de ark had om gered te worden van de zondvloed, zo zullen mensen die in Hem geloven ook gered worden. Ze zullen uiteindelijk uit die ellende gehaald worden. Maar dat gaat niet zonder slag of stoot. Hoezeer Noach ook geloofde in God, die ark kwam er niet vanzelf. Hij moest zelf die boot bouwen.

Jezus spreekt over hoop,over redding, over meedoen met het feest bij de voltooiing. Maar hij spreekt daarover in gelijkenissen. Aan het einde van hoofdstuk 24 en het eerste deel van hoofdstuk 25 kan je lezen wat kiezen voor Jezus onder meer inhoud. Deze gelijkenissen kan je later thuis lezen. Maar, mocht je nu niet lekker in je vel zitten, of kan je je niet concentreren op dat wat ik vertel, of je kan mij niet volgen, ga je gang, pak je Bijbel, zoek matt 25 op en lees de gelijkenissen en kijk wat je er zelf uit kunt halen. Twee van deze gelijkenissen wil ik even heel kort doornemen. Het zijn niet de meest opwekkende verhalen die je leest. Geloven in Jezus is een goede start. Maar als je in Hem gelooft,wat dan? Kan je gewoon gaan feesten? Of wordt er iets van je verwacht?

Het eerste verhaal vertelt ons over tien meisjes. Ze trokken met hun lampjes de bruidegom tegemoet. 5 hadden extra olie bij zich, 5 hadden daar niet aan gedacht. Het werd donker en de meisjes dommelden in. En toen opeens een roep: “Daar komt de bruidegom!” In het holst van de nacht, totaal niet verwacht komt hij aan. De meisjes worden wakker en willen hun lampen laten branden. Zij die extra olie hadden meegenomen, konden nog olie doen in hun lampen, de meisjes die niet aan de olie hadden gedacht, moesten op zoek naar een verkoper, waardoor ze de ontmoeting met de bruidegom mislopen. Ze lopen meer mis, want zelfs als ze eindelijk de olie hebben en hun licht aan kunnen doen, mogen ze nog niet op het feest komen.  Je moet alert zijn op wat komen gaat. Maar deze gelijkenis vertelt ook over hoe serieus je je taak opneemt. Als je je taak opneemt om de bruidegom tegemoet te gaan, zorg dan ook dat je zijn pad kunt verlichten als dat nodig is. Dus heb je reserve olie bij je. Je neemt je taak serieus. Doe je dat niet, en vergeet je de olie, ga je eigenlijk alleen voor het feest, dan lig je eruit en loop je het feest mis. Dan hoor je niet bij de bruidegom, dan hoor je niet op het feest.

Iets vergelijkends zien we in de daaropvolgende gelijkenis. Drie dienaren moeten gaan zorgen voor het geld dat hun heer beheert. De heer gaat op reis, hij verdeelt het geld, 8 talenten in totaal, onder de dienaren. Om even te verduidelijken, 1 talent ( 24 kilo zilver) stond voor 6000 denarie, wat neerkomt op ongeveer €60,000 is. Nog steeds een leuk bedrag. De heer vertrouwt de dienaren zijn geld toe. Hij weet wat hij aan ze heeft, hij weet wat ze kunnen, daarom ook die verdeling over de dienaren. De één kan meer dan de ander. De dienaren krijgen niet allemaal evenveel, De 8 talenten die de heer heeft verdeelt hij als volgt: , 1 dienaar ontvangt er 5, een ander ontvangt er 2 en 1 dienaar ontvangt er 1. De eerste twee dienaren hebben het geld laten werken, zij wisten er mee om te gaan, en verdubbelden het hen toegekende bedrag. Ze wisten dat de heer hun vertrouwde. Hij wist dat de dienaren hun taak aan konden. Door dat vertrouwen konden zij ook aan het werk en verdienen ze er voor hun heer extra geld bij. De laatste dienaar ontvangt het geld, maar is bang voor zijn heer. En angst verlamd. Hij doet niets met het geld, of wacht, hij begraaft het, zodat hij die ene talent weer terug kan geven.

Het is ook die laatste dienaar die op zijn falie krijgt. Het had het minimaal op de bank kunnen zetten om wat rente te kunnen vangen. De dienaar is niet over zijn angst heen gestapt. Hij heeft niet nagedacht waarom zijn heer hem dit talent heeft toevertrouwd. Hij is zelfs niet op de gedachte gekomen om het geld bij de bank vast te zetten. Terwijl zijn heer hem wel die ene talent toevertrouwd. Zijn heer vertrouwt zijn dienaar met dat wat hij hem gegeven heeft. Maar de derde dienaar heeft niets gedaan. Met het vertrouwen dat hij kreeg, liet hij zijn opdracht na. En dat heeft zijn gevolg. De eerste twee dienaren kunnen meevieren op het feest, de laatste kan het shaken. Alles wordt hem afgenomen, hij wordt ontslagen en komt terecht in het allerlaagste dat je maar kunt bedenken.

En dan komen we bij de tekst van vandaag. Persoonlijk vind ik dit een beroerde tekst. Hij komt namelijk keihard aan. Bij de komst van de mensenzoon komt iedereen bij elkaar. Alle volken komen bij elkaar. Joden, grieken, Franzen, Duitsers, Nederlanders, Canadezen, Equatorianen, Ugandezen, Cambodjanen, Kiwi’s (Nieuw Zeelanders), Romeinen, noem maar op. Alle mensen uit alle volken. Het zijn mensen die elkaar kennen, mensen die samengewerkt hebben, mensen die vrienden van elkaar zijn, mensen die familie van elkaar zijn. Deze hele groep komt bij elkaar op het moment dat de mensenzoon weer terugkomt op aarde en plaats neemt op de troon. Een machtig gezicht lijkt mij, waar ik me geheel op kan verheugen. Maar dan….. Hij brengt een scheiding aan. Hij laat groepen mensen aan de linkerkant van hem staan en groepen mensen aan de rechterkant van hem staan. Mensen die elkaar kennen kunnen van elkaar gescheiden worden. Volken worden opgesplitst en misschien ook vrienden, families, gezinnen. Je weet het niet.

Er staat niemand in het midden, behalve de heer. Er is geen neutrale positie, je hoort er bij of je hoort er niet bij. Een zwart-witte scheiding. Jezus maakt een scheiding in de massa mensen bestaande uit verschillende volken. Hij scheidt ze in twee groepen. De ene groep mag met hem mee, de andere groep niet. Die heeft pech en ligt eruit. Jammer maar helaas.

Een aantal aspecten liggen ten grondslag van deze scheiding. Het lijkt erop dat mensen iets gedaan hebben. En het lijkt erop dat mensen iets gedaan hebben voor Jezus, althans voor zijn onaanzienlijkste broeder. Zou dit betekenen dat je door iets te doen, je ook bij de schapen terecht kan komen. Interessant, door goed te doen, ontvang je goed.

Om eerst eens te kijken naar de onaanzienlijkste broeder van Jezus, vers 40. Daar waar Jezus zei: ”En de koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.” Wie zijn die broeders en zusters? Het klinkt naar mensen die bij Hem horen. In maart, toen ik nog een beetje aan het brainstormen was welke tekst ik zou nemen, sprak ik over deze tekst met mijn zwager, ook theoloog. De precieze woorden die hij gebruikte weet ik niet meer, maar, zo zei hij, deze tekst wordt vaak gezien dat christenen elkaar onderling moeten helpen.

Ik vond dat een beetje raar, dus ben ik gaan zoeken en jawel, het woord ‘broeder’ wees naar matt.12:49 en 50, waarin Jezus wijst naar de leerlingen en zegt: “Zij zijn mijn moeder en mijn broers.” Hieruit kan je concluderen dat de broeders, waar Jezus naar verwijst, christenen zijn. De Christenen, de broeders van Jezus, die dien je te helpen, indien zij in nood zijn. Okee. Maar ik ben wat praktisch ingesteld. Dus hoe moet ik dat dan zien? Als ik struikel over een zwerver op Hoog Catherijne, of in de binnenstad van Ede of wageningen (heeft Bennekom nu een binnenstad??om nou te zeggen dat bennekom een binnenstad heeft 😉 ), zou dan mijn eerste vraag moeten zijn: “ben je christen?” Zo niet, dan zou ik hem mogen laten liggen, of eerst moeten bekeren? Of trek ik het nu te hard door? Eigenlijk had ik geen vrede met deze verklaring, hoe waar die misschien ook is.

Zelf dacht ik namelijk, dat de minste broeders van Jezus, gewoon iedereen was die in nood was. Je ziet iemand in nood, hij verdrinkt in het valleikanaal, je denkt niet na, je springt in het kanaal en hoopt hem te redden. Maar is dat dan ook zo? Ik ben weer verder gaan zoeken in verklaringen over deze tekst. Het blijkt dat juist dit ene woordje geleid heeft tot pagina’s teksten over wie de broeder zou kunnen zijn. De één zegt dat het de christenen zijn, een ander houdt het op de leerlingen van christus. Hiermee wordt dan bedoeld dat het de mensen zijn die het evangelie verspreiden, hetzij hier, hetzij elders, onderdak verschaft moet worden. Een zeer beperkte groep. Weer anderen zeggen dat het alle mensen betreft die in nood zijn, want, de mens is geschapen naar het evenbeeld van God, er is niet zo direct een onderscheid te maken.

Het was boeiend om dat te lezen. Maar toen viel mij iets op. In vers 44 staat: “Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien of dorstig, als vreemdeling of naakt, ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet voor u gezorgd?” Daar ging 4 pagina’s exegese. Door zoveel aandacht te geven aan het ene woord ‘broeder’ schoot ik mijn doel voorbij. Door zoveel aandacht te geven wie nu die broeder is van de koning, richtte ik mijn aandacht juist op diegene waarvan ik dacht dat het mijn broeder zou kunnen zijn. In de poging goed te doen voor het koninkrijk richtte ik mij juist op wie mijn broeder kan zijn. Terwijl het daar juist niet om gaat. Het is niet van belang dat ik weet wie de broeder is van de koning. Dat is niet aan mij, dat is niet aan jou. Het gaat er juist om dat je jouw leven zo inricht dat je als vanzelf geeft om de mensen om je heen. Dat jij dankbaar bent met al die mensen om je heen die jou kunnen helpen, maar ook die jij kunt helpen. Het gaat er juist om dat jij je bewust bent van jouw relatie met andere mensen, wie dan ook. Want jij weet niet wie jouw broeder is, en dat gaat je eigenlijk niets aan, dat is niet aan jou.

Nu het andere aspect, ze hebben Jezus niet gezien, terwijl ze voor de onaanzienlijkste broeder gezorgd hebben. Hierin zit een levenshouding. Een levenshouding die terug te vinden is in de basis van het christelijk leven. De basis die ligt bij de 10 geboden, die Jezus heeft samengevat in: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. (Matteüs 22:34-40)

De schapen zien de ander als gelijke van zichzelf. Zij hebben hun naaste lief als zichzelf. Zij volgen daarin hun Heer, Jezus. De waarde die ik hecht aan mijzelf, de belangrijkheid die ik van mijzelf vind, is gelijk aan die van jou, mijn waarde is gelijk aan die van die van een zwerver, een schoonmaakster, de directeur van de CHE, Geert Wilders en Arie Slob. Dit wil niet zeggen dat ik het eens ben met hoe mijn naaste zijn leven inricht. Maar zoals ik wil dat ik behandeld wordt, zo zal ik ook hun moeten behandelen, want de waarde, de belangrijkheid die ik mijzelf toe ken, de liefde die ik naar mijzelf heb, is gelijk aan de liefde naar de ander toe.

Dus kan ik dan zeggen: wat u niet wilt dat u geschied, doe dat ook een ander niet? Nee, het spreekwoord geeft een passieve houding weer. Je doet niets,omdat je niet wilt dat een ander dat naar jou toe doet. Ik wil niet gepest worden, dus pest ik niet. Je laat dingen na, je onderneemt geen actie ten goede van mensen. Ik gooi geen afval in de tuin van mijn buurman, omdat ik ook geen afval van hem in mijn tuin wil.

Jezus zegt het in Matt 7:12 actiever: Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is een actieve houding. Waarbij bij het spreekwoord de actie nagelaten wordt, gaat het bij Jezus juist om actie te ondernemen. Je gaat dingen doen, omdat jij het fijn vindt dat anderen dat ook voor jou doen, of zouden doen. Om even terug te gaan naar het voorbeeld bij Wieke en mij, Wieke ging een dagje uit met een vriendin en wilde een lekkere maaltijd meenemen om te picknicken. Alleen kwam zij de avond ervoor laat thuis, en zou ze de dag erop weer vroeg weg moeten. Dat wordt stress, juist dat wat je niet wilt voor een leuk dagje uit. Ik had tijd over, of ik nam de tijd, maar ik draaide voor haar die maaltijd in elkaar. Daarmee was het niet mijn bedoeling om haar liefde mee te winnen, maar ik wilde haar de rust geven, zodat ze lekker kon gaan genieten van dat dagje uit.

Om dit naar de straat door te trekken. Als ik als zwerver bij het station sta, en er komt iemand langs, wat zou ik dan willen dat die ander voor mij doet. Wil ik dan €1 of €2? Of een kop koffie? Of iemand die samen met mij bidt? Of iemand die voor mij bidt? Of iemand die mij uit die put kan redden? Ik weet het niet, om eerlijk te zijn, ik heb er ook nog nooit zo over nagedacht. Hetzelfde is voor de schoonmaakster op kantoor, voor de vuilnisman in de straat, of die vent, die mens van een buurman die altijd gelijk wil hebben, noem maar op.

Het lijkt alsof de bokken het spreekwoord aanhouden, terwijl de schapen juist Jezus zegswijze volgen. De bokken lijken dingen te hebben nagelaten, het lijkt alsof ze geen actie ondernomen hebben, terwijl de schapen naar Jezus luisterden. Zij hebben anderen behandeld op de manier zoals zij zelf behandeld zouden worden. Zij kijken niet naar de persoon in kwestie. Ze weten eigenlijk niet wie hij is. Maar ze handelen, omdat zij zien dat hij in nood is, waardoor zij hem uit die nood willen halen.

Het is een kijk op de mensen vanuit gelijkheid. Gelijkheid in waarde. Zoals wij gelijk zijn in waarde voor God. God ziet de één niet hoger dan de ander. Hij ziet jou, jou en jou als verschillend persoon, met verschillend talent, en hij houdt even veel van jullie, en daarin zit die gelijke waarde. De schapen hebben dat door en handelen daarnaar.

Net als Noach in God geloofde, hij leefde in nauwe verbondenheid met God. (Gen. 6:9), bouwde hij zelf die ark. Die is hem niet komen aanwaaien. Hij vertrouwde op God, dat God hem een taak had gegeven die noach zelf aankon. Hij nam een aan en bouwde die ark. Wandel door het OT en je komt steeds mensen tegen die geloofden in God, die van Hem hielden en daaruit handelden. En dat houdt eigenlijk niet op in het NT.

De meisjes zorgen voor verlichting. Althans, degene die wel voldoende olie hadden meegenomen, de dienaren handelden met het geld dat hun was toevertrouwd. Geloof en van daar uit handelen zijn aan elkaar gekoppeld. Om terug te komen bij Gio, je houdt van je meisje, je doet iets voor haar, om het haar gemakkelijker te maken, om te laten zien dat je om haar geeft, om aan haar duidelijk te maken dat zij belangrijk voor jou is. En zo ook met Jezus. Om Hem te laten zien dat jij van Hem houdt, dat hij belangijk voor je is, kan je handelen naar Zijn wil.

Ter illustratie is het volgende filmpje gemaakt. Je zult foto’s van mensen zien. Mensen gemaakt naar het evenbeeld van God. Mensen die de minste broeder of zuster kunnen zijn. Mensen waar jij misschien juist net die ene glimp bent in hun leven, maar zie jij ze ook?

Het zijn mensen gefotografeerd op straat, bijna allemaal in Bennekom. Mensen die we gewoon tegen kunnen komen. Mensen die je niet kent, maar wel allemaal geschapen door God. Allemaal zijn ze mijn naaste, allemaal zijn ze jouw naaste, allemaal zijn ze uw naaste. Mensen die ik wel ken, mensen die ik niet ken. Misschien kent u ze. Mensen met hun eigen verhaal. Mensen met hun eigen leven, mensen met hun eigen verdriet.

Je kunt iets doen met jouw liefde voor Jezus, Op jouw manier, want zo heeft hij jou in elkaar gezet. Je hoeft er niet voor naar een cursus, je hoeft er geen lessen voor te hebben, daar hoef je geen theoloog voor te zijn, het is misschien wel handig, maar twee handen, twee ogen, een mond, een beetje lef en vertrouwen in God is voldoende. Je kunt de mens in nood zien, met hem praten en /of iets voor hem doen. En dit filmpje is gewoonweg ter inspiratie, misschien breng het je op een gedachte, volg die gedachte dan.

Michel Altorf-van der Kuil, Jul-14 2013